Dipika Singh over Utopera

Meer lezen over de voorstelling?
Andere makers aan het woord?

Dipika Singh is een operazangeres en actrice. Ze studeerde opera aan het conservatorium van Gent en klassieke zang in Antwerpen. Daarna deed ze stages en masterclasses in binnen- en buitenland. Ze speelt zowel in musicals, muziektheater, operette, opera, of treedt op als soliste.

“Bijna iedereen in mijn familie is muzikant. Mijn vader was een sitarist uit New Delhi in India. Hij heeft mijn moeder leren kennen toen hij een optreden gaf tijdens de Gentse Feesten. En mijn zus is een jazz-zangeres. Via haar heb ik Haider leren kennen. Ze zong in zijn voorstelling Total Loss en heeft zo het pad voor mij geëffend. Toen we samen een voorstelling wilden maken, hebben we Haider gevraagd om te regisseren. Tijdens een van de repetities zei hij: “Als ik ooit een operazangeres nodig heb, dan vraag ik jou.” Een jaar later was het al zover.

Ik heb al eerder muziektheater gedaan, maar nog niet zo professioneel als bij Utopera. Het voelt als onze voorstelling. Ik heb veel inbreng gehad en mocht veel proberen op scène.
Bij opera is het vaak afgelijnder. Daar is elke tekst op voorhand uitgeschreven en moet ieder lied gezongen worden zoals de componist het heeft bedoeld.
Bij Utopera zijn we begonnen met een verhaal en een deadline. Niet meer dan dat. Ik ben zelf op zoek kunnen gaan naar gedichten, teksten, muziek. Alles wat we konden gebruiken. Mijn rol is helemaal anders uitgedraaid dan ik op voorhand had bedacht. En dat is fantastisch leuk.

Haider speelt al jaren met het idee voor deze voorstelling, weet ik. Hij wil Irak bekijken vanuit de kunst. Op voorhand had ik schrik dat de thematiek van de voorstelling en het gegeven van een opera een drempel zouden zijn, maar dat is helemaal niet het geval. We hebben al fantastische reacties gekregen. Ook jongeren zijn helemaal mee. In nagesprekken stellen ze achteraf heel gerichte en scherpe vragen, vind ik. Het is fijn om ook een jong publiek met opera te confronteren.

Ik zing bestaande aria’s in de voorstelling, maar we hebben wel besloten om alles te vertalen naar het Duits. Je zal de liederen misschien wel herkennen, maar de klanken zijn anders. Het is een gek gevoel. En door het contrast met de Nederlandstalige gesproken teksten krijgt de voorstelling zo iets bevreemdend. Zijn onze personages dood of leven ze nog? Aan welke zijde van het leven staan ze eigenlijk? Het zijn zaken die onze personages zich ook tijdens de voorstelling afvragen.

Tijdens de repetities was het soms wel heel zwaar. Ik wilde dan even naar buiten, omdat het niet meer ging. Als ik hier al zo emotioneel van word, hoe gaan jongeren dit dan begrijpen, dacht ik. Die gaan nachtmerries hebben, of zo. Maar die zorgen waren dus niet nodig.
Als je de voorstelling gewoon op je af laat komen, is het heel schoon, merk ik. We geven het publiek iets mee om thuis over na te denken. Het heeft geen zin om elkaar te haten of om elkaar niet graag te zien. Niemand wint bij zoiets. Dat willen we vertellen.

Het meest intense moment van de voorstelling is voor mij wanneer Haider op het einde van de voorstelling naar mij toe komt. Ervoor zit een heel emotionele scène, maar op dat moment valt de heftigheid even stil. Dan kijken Haider en ik naar elkaar. Hier staan we nu.
Je voelt dat ook in de zaal. Iedereen haalt op dat moment even adem. Dat is heel ontroerend.”